Prediker 11:1, 3-4, 7

NBV

1Werp je brood uit over het water, want je vindt het later weer terug.
3Wanneer de wolken vol zijn, gieten ze hun regen uit over de aarde. Naar welke kant een boom ook valt, naar het noorden of het zuiden, hij blijft liggen op de plaats waar hij valt.
4Wie altijd op de wind let, komt nooit aan zaaien toe; wie altijd naar de wolken kijkt, komt nooit aan maaien toe.
7Het licht is een genot. Wat een weldaad voor de ogen om de zon te zien!

SV

1Werp uw brood uit op het water, want gij zult het vinden na vele dagen.
3Als de wolken vol geworden zijn, zo storten zij plasregen uit op de aarde; en als de boom naar het zuiden, of als hij naar het noorden valt, in de plaats, waar de boom valt, daar zal hij wezen.
4Wie op den wind acht geeft, die zal niet zaaien, en wie op de wolken ziet, die zal niet maaien.
7Verder, het licht is zoet, en het is den ogen goed de zon te aanschouwen;

KJV

1Cast thy bread upon the waters: for thou shalt find it after many days.
3If the clouds be full of rain, they empty themselves upon the earth: and if the tree fall toward the south, or toward the north, in the place where the tree falleth, there it shall be.
4He that observeth the wind shall not sow; and he that regardeth the clouds shall not reap.
7Truly the light is sweet, and a pleasant thing it is for the eyes to behold the sun: