Numeri 3:14-39

NBV

14Ook zei de HEER in de Sinaiwoestijn tegen Mozes:
15'Schrijf de Levieten in, geordend naar familie en geslacht. Alle mannelijke personen van ‚‚n maand en ouder moeten worden ingeschreven.'
16Hierop schreef Mozes hen in, zoals de HEER hem geboden had.
17Dit zijn de namen van de zonen van Levi: Gerson, Kehat en Merari.
18(18-20) De zonen van Gerson heetten Libni en Simi. De zonen van Kehat: Amram, Jishar, Chebron en Uzziël. De zonen van Merari: Machli en Musi. Naar hen werden de verschillende geslachten genoemd. Dit waren de geslachten van de Levieten, die elk weer onderverdeeld waren in families.
21Van Gerson stamden de Libnieten en de Simieten af; dit waren de geslachten van de Gersonieten.
22Het aantal mannelijke personen van ‚‚n maand en ouder dat werd ingeschreven, bedroeg 7500.
23De Gersonieten sloegen hun kamp op achter de tabernakel, aan de westkant.
24Hun leider was Eljasaf, de zoon van Laël.
25De Gersonieten hadden wat de ontmoetingstent betreft de zorg voor de tabernakel, de tent daaroverheen en de dekkleden, het gordijn voor de ingang van de ontmoetingstent,
26de doeken waarmee de ruimte rond de tabernakel en het altaar afgeschermd was, het gordijn voor de ingang van de afgeschermde ruimte, en de touwen. Alles wat hiermee te maken had, was hun werk.
27Van Kehat stamden de Amramieten, Jisharieten, Chebronieten en Uzziëlieten af; dat waren de geslachten van de Kehatieten.
28Het aantal mannelijke personen van ‚‚n maand en ouder bedroeg 8600. Zij hadden de zorg voor de heilige ruimte.
29De Kehatieten sloegen hun kamp op aan een van de lange zijden van de tabernakel, en wel aan de zuidkant.
30Hun leider was Elisafan, de zoon van Uzziël.
31Zij hadden de zorg voor de ark, de tafel, de lampenstandaard, de altaren, de heilige voorwerpen die bij de dienst gebruikt werden en het voorhangsel. Alles wat hiermee te maken had, was hun werk.
32Aan het hoofd van de leiders van de Levieten stond Eleazar, de zoon van de priester Aäron. Hij hield toezicht op degenen die de zorg voor de heilige ruimte hadden.
33Van Merari stamden de Machlieten en de Musieten af; dat waren de geslachten van de Merarieten.
34Het aantal mannelijke personen van ‚‚n maand en ouder dat werd ingeschreven, bedroeg 6200.
35Hun leider was Suriël, de zoon van Abichaïl. Zij sloegen hun kamp op aan de andere lange zijde van de tabernakel, aan de noordkant.
36De Merarieten waren belast met de zorg voor de planken van de tabernakel, de dwarsbalken, palen en voetstukken en wat daarbij hoorde. Alles wat hiermee te maken had, was hun werk.
37Ook droegen ze zorg voor de palen van de afgeschermde ruimte, voor de voetstukken, de pinnen en de touwen.
38Aan de voorzijde van de tabernakel, aan de oostkant, waar de zon opkomt, sloegen Mozes en Aäron en zijn zonen hun tenten op. Zij verzorgden namens de Israëlieten de dienst in het heiligdom. Iedere onbevoegde die te dicht bij het heiligdom kwam, werd gedood.
39Het totale aantal mannelijke Levieten van ‚‚n maand en ouder dat Mozes samen met Aäron in opdracht van de HEER inschreef, geordend naar geslacht, bedroeg 22.000.

SV

14En de HEERE sprak tot Mozes in de woestijn van Sinai, zeggende:
15Tel de zonen van Levi naar het huis hunner vaderen, naar hun geslachten, al wat mannelijk is, van een maand oud en daarboven, die zult gij tellen.
16En Mozes telde hen naar het bevel des HEEREN, gelijk hem geboden was.
17Dit nu waren de zonen van Levi met hun namen: Gerson, en Kahath, en Merari.
18En dit zijn de namen der zonen van Gerson, naar hun geslachten: Libni en Simei.
19En de zonen van Kahath, naar hun geslachten; Amram en Izhar, Hebron en Uzziel.
20En de zonen van Merari, naar hun geslachten: Maheli en Musi; dit zijn de geslachten der Levieten, naar het huis hunner vaderen.
21Van Gerson was het geslacht der Libnieten, en het geslacht der Simeieten; dit zijn de geslachten der Gersonieten.
22Hun getelden in getal waren van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven; hun getelden waren zeven duizend en vijfhonderd.
23De geslachten der Gersonieten zullen zich legeren achter den tabernakel, westwaarts.
24De overste nu van het vaderlijke huis der Gersonieten zal zijn Eljasaf, de zoon van Lael.
25En de wacht der zonen van Gerson in de tent der samenkomst zal zijn de tabernakel en de tent, haar deksel, en het deksel aan de deur van de tent der samenkomst;
26En de behangselen des voorhofs, en het deksel van de deur des voorhofs, welke bij den tabernakel en bij het altaar rondom zijn; mitsgaders de zelen, tot zijn gansen dienst.
27En van Kahath is het geslacht der Amramieten, en het geslacht der Izharieten, en het geslacht der Hebronieten, en het geslacht der Uzzielieten; dit zijn de geslachten der Kahathieten.
28In getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren acht duizend en zeshonderd, waarnemende de wacht des heiligdoms.
29De geslachten der zonen van Kahath zullen zich legeren aan de zijde des tabernakels, zuidwaarts.
30De overste nu van het vaderlijke huis der geslachten van de Kahathieten, zal zijn Elisafan, de zoon van Uzziel.
31Hun wacht nu zal zijn de ark, en de tafel, en de kandelaar, en de altaren en het gereedschap des heiligdoms, met hetwelk zij dienst doen, en het deksel, en al wat tot zijn dienst behoort.
32De overste nu der oversten van Levi zal zijn Eleazar, de zoon van Aaron, den priester; zijn opzicht zal zijn over degenen, die de wacht des heiligdoms waarnemen.
33Van Merari is het geslacht der Mahelieten, en het geslacht der Musieten; dit zijn de geslachten van Merari.
34En hun getelden in getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren zes duizend en tweehonderd.
35De overste nu van het vaderlijke huis der geslachten van Merari zal zijn Zuriel, de zoon van Abihail; zij zullen zich legeren aan de zijde des tabernakels, noordwaarts.
36En het opzicht der wachten van de zonen van Merari zal zijn over de berderen des tabernakels, en zijn richelen, en zijn pilaren, en zijn voeten, en al zijn gereedschap, en al wat tot zijn dienst behoort;
37En de pilaren des voorhofs rondom, en hun voeten, en hun pennen, en hun zelen.
38Die nu zich legeren zullen voor den tabernakel oostwaarts, voor de tent der samenkomst, tegen den opgang, zullen zijn Mozes, en Aaron met zijn zonen, waarnemende de wacht des heiligdoms, voor de wacht der kinderen Israels; en de vreemde die nadert, zal gedood worden.
39Alle getelden der Levieten, welke Mozes en Aaron, op het bevel des HEEREN, naar hun geslachten, geteld hebben, al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren twee en twintig duizend.

KJV

14And the LORD spake unto Moses in the wilderness of Sinai, saying,
15Number the children of Levi after the house of their fathers, by their families: every male from a month old and upward shalt thou number them.
16And Moses numbered them according to the word of the LORD, as he was commanded.
17And these were the sons of Levi by their names; Gershon, and Kohath, and Merari.
18And these are the names of the sons of Gershon by their families; Libni, and Shimei.
19And the sons of Kohath by their families; Amram, and Izehar, Hebron, and Uzziel.
20And the sons of Merari by their families; Mahli, and Mushi. These are the families of the Levites according to the house of their fathers.
21Of Gershon was the family of the Libnites, and the family of the Shimites: these are the families of the Gershonites.
22Those that were numbered of them, according to the number of all the males, from a month old and upward, even those that were numbered of them were seven thousand and five hundred.
23The families of the Gershonites shall pitch behind the tabernacle westward.
24And the chief of the house of the father of the Gershonites shall be Eliasaph the son of Lael.
25And the charge of the sons of Gershon in the tabernacle of the congregation shall be the tabernacle, and the tent, the covering thereof, and the hanging for the door of the tabernacle of the congregation,
26And the hangings of the court, and the curtain for the door of the court, which is by the tabernacle, and by the altar round about, and the cords of it for all the service thereof.
27And of Kohath was the family of the Amramites, and the family of the Izeharites, and the family of the Hebronites, and the family of the Uzzielites: these are the families of the Kohathites.
28In the number of all the males, from a month old and upward, were eight thousand and six hundred, keeping the charge of the sanctuary.
29The families of the sons of Kohath shall pitch on the side of the tabernacle southward.
30And the chief of the house of the father of the families of the Kohathites shall be Elizaphan the son of Uzziel.
31And their charge shall be the ark, and the table, and the candlestick, and the altars, and the vessels of the sanctuary wherewith they minister, and the hanging, and all the service thereof.
32And Eleazar the son of Aaron the priest shall be chief over the chief of the Levites, and have the oversight of them that keep the charge of the sanctuary.
33Of Merari was the family of the Mahlites, and the family of the Mushites: these are the families of Merari.
34And those that were numbered of them, according to the number of all the males, from a month old and upward, were six thousand and two hundred.
35And the chief of the house of the father of the families of Merari was Zuriel the son of Abihail: these shall pitch on the side of the tabernacle northward.
36And under the custody and charge of the sons of Merari shall be the boards of the tabernacle, and the bars thereof, and the pillars thereof, and the sockets thereof, and all the vessels thereof, and all that serveth thereto,
37And the pillars of the court round about, and their sockets, and their pins, and their cords.
38But those that encamp before the tabernacle toward the east, even before the tabernacle of the congregation eastward, shall be Moses, and Aaron and his sons, keeping the charge of the sanctuary for the charge of the children of Israel; and the stranger that cometh nigh shall be put to death.
39All that were numbered of the Levites, which Moses and Aaron numbered at the commandment of the LORD, throughout their families, all the males from a month old and upward, were twenty and two thousand.