SV
31Zo kwamen dan Zijn broeders en Zijn moeder; en buiten staande, zonden zij tot Hem, en riepen Hem.
32En de schare zat rondom Hem; en zij zeiden tot Hem: Zie, Uw moeder en Uw broeders daar buiten zoeken U.
33En Hij antwoordde hun, zeggende: Wie is Mijn moeder, of Mijn broeders?
34En rondom overzien hebbende, die om Hem zaten, zeide Hij: Ziet, Mijn moeder en Mijn broeders.
35Want zo wie den wil van God doet, die is Mijn broeder, en Mijn zuster, en moeder.
Deze bijbeltekst is ontleend aan aan de Staten Vertaling van 1637