Lukas 1:1-50

NBV

1Nadat reeds velen zich tot taak hebben gesteld om een verslag te schrijven over de gebeurtenissen die zich in ons midden hebben voltrokken,
2en die ons zijn overgeleverd door degenen die vanaf het begin ooggetuigen zijn geweest en dienaren van het Woord zijn geworden,
3leek het ook mij goed om alles van de aanvang af nauwkeurig na te gaan en deze gebeurtenissen in ordelijke vorm voor u, hooggeachte Theofilus, op schrift te stellen,
4om u te overtuigen van de betrouwbaarheid van de zaken waarin u onderricht bent.
5Toen Herodes koning van Judea was, leefde er een priester die Zacharias heette en tot de priesterafdeling Abia behoorde. Zijn vrouw, Elisabet, stamde af van Aäron.
6Beiden waren vrome en gelovige mensen, die zich strikt aan alle geboden en wetten van de Heer hielden.
7Ze hadden geen kinderen, want Elisabet was onvruchtbaar, en beiden waren al op leeftijd.
8Toen de afdeling van Zacharias eens aan de beurt was om de priesterdienst te vervullen,
9werd er volgens het gebruik van de priesters geloot en werd Zacharias door het lot aangewezen om het reukoffer op te dragen in het heiligdom van de Heer.
10De samengestroomde menigte bleef buiten staan bidden terwijl het offer werd gebracht.
11Opeens verscheen hem een engel van de Heer, die aan de rechterkant van het reukofferaltaar stond.
12Zacharias schrok hevig bij het zien van de engel en hij werd door angst overvallen.
13Maar de engel zei tegen hem: ‘Wees niet bang, Zacharias, je gebed is verhoord: je vrouw Elisabet zal je een zoon baren, en je moet hem Johannes noemen.
14Vreugde en blijdschap zullen je ten deel vallen, en velen zullen zich over zijn geboorte verheugen.
15Hij zal groot zijn in de ogen van de Heer, en wijn en andere gegiste drank zal hij niet drinken. Hij zal vervuld worden met de heilige Geest terwijl hij nog in de schoot van zijn moeder is,
16en hij zal velen uit het volk van Israël tot de Heer, hun God, brengen.
17Als bode zal hij voor God uit gaan met de geest en de kracht van Elia om ouders met hun kinderen te verzoenen en om zondaars tot rechtvaardigheid te brengen, en zo zal hij het volk gereedmaken voor de Heer.’
18Zacharias vroeg aan de engel: ‘Hoe kan ik weten of dat waar is? Ik ben immers een oude man en ook mijn vrouw is al op leeftijd.’
19De engel antwoordde: ‘Ik ben Gabriël, die altijd in Gods nabijheid is, en ik ben uitgezonden om je dit goede nieuws te brengen.
20Maar omdat je geen geloof hebt gehecht aan mijn woorden, die op de voorbestemde tijd in vervulling zullen gaan, zul je stom zijn en niet kunnen spreken tot de dag waarop dit alles gaat gebeuren.’
21De menigte stond buiten op Zacharias te wachten, en de mensen vroegen zich af waarom hij zo lang in het heiligdom bleef.
22Maar toen hij naar buiten kwam, kon hij niets tegen hen zeggen. Ze begrepen dat hij in het heiligdom een visioen had gezien; hij maakte gebaren tegen hen, maar spreken kon hij niet.
23Toen zijn tempeldienst voorbij was, ging hij terug naar huis.
24Korte tijd later werd zijn vrouw Elisabet zwanger. Ze leefde vijf maanden lang in afzondering en zei bij zichzelf:
25De Heer heeft zich mijn lot aangetrokken. Hij heeft dit voor mij gedaan opdat de mensen me niet langer verachten.
26In de zesde maand zond God de engel Gabriël naar de stad Nazaret in Galilea,
27naar een meisje dat was uitgehuwelijkt aan een man die Jozef heette, een afstammeling van David. Het meisje heette Maria.
28Gabriël ging haar huis binnen en zei: ‘Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je.’
29Ze schrok hevig bij het horen van zijn woorden en vroeg zich af wat die begroeting te betekenen had.
30Maar de engel zei tegen haar: ‘Wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken.
31Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen.
32Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven.
33Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.’
34Maria vroeg aan de engel: ‘Hoe zal dat gebeuren? Ik heb immers nog nooit gemeenschap met een man gehad.’
35De engel antwoordde: ‘De heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken. Daarom zal het kind dat geboren wordt, heilig worden genoemd en Zoon van God.
36Luister, ook je familielid Elisabet is zwanger van een zoon, ondanks haar hoge leeftijd. Ze is nu, ook al hield men haar voor onvruchtbaar, in de zesde maand van haar zwangerschap,
37want voor God is niets onmogelijk.’
38Maria zei: ‘De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.’ Daarna liet de engel haar weer alleen.
39Kort daarop reisde Maria in grote haast naar het bergland, naar een stad in Juda,
40waar ze het huis van Zacharias binnenging en Elisabet begroette.
41Toen Elisabet de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot; ze werd vervuld met de heilige Geest
42en riep luid: ‘De meest gezegende ben je van alle vrouwen, en gezegend is de vrucht van je schoot!
43Wie ben ik dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt?
44Toen ik je groet hoorde, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot.
45Gelukkig is zij die geloofd heeft dat de woorden van de Heer in vervulling zullen gaan.’
46Maria zei: ‘Mijn ziel prijst en looft de Heer,
47mijn hart juicht om God, mijn redder:
48hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares. Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen,
49ja, grote dingen heeft de Machtige voor mij gedaan, heilig is zijn naam.
50Barmhartig is hij, van geslacht op geslacht, voor al wie hem vereert.

SV

1Nademaal velen ter hand genomen hebben, om in orde te stellen een verhaal van de dingen, die onder ons volkomen zekerheid hebben;
2Gelijk ons overgeleverd hebben, die van den beginne zelven aanschouwers en dienaars des Woords geweest zijn;
3Zo heeft het ook mij goed gedacht, hebbende alles van voren aan naarstiglijk onderzocht, vervolgens aan u te schrijven, voortreffelijke Theofilus!
4Opdat gij moogt kennen de zekerheid der dingen, waarvan gij onderwezen zijt.
5In de dagen van Herodes, den koning van Judea, was een zeker priester, met name Zacharias, van de dagorde van Abia; en zijn vrouw was uit de dochteren van Aaron, en haar naam Elizabet.
6En zij waren beiden rechtvaardig voor God, wandelende in al de geboden en rechten des Heeren, onberispelijk.
7En zij hadden geen kind, omdat Elizabet onvruchtbaar was, en zij beiden verre op hun dagen gekomen waren.
8En het geschiedde, dat, als hij het priesterambt bediende voor God, in de beurt zijner dagorde.
9Naar de gewoonte der priesterlijke bediening, hem te lote was gevallen, dat hij zoude ingaan in den tempel des Heeren om te reukofferen.
10En al de menigte des volks was buiten, biddende, ten ure des reukoffers.
11En van hem werd gezien een engel des Heeren, staande ter rechter zijde van het altaar des reukoffers.
12En Zacharias, hem ziende, werd ontroerd, en vreze is op hem gevallen.
13Maar de engel zeide tot hem: Vrees niet, Zacharias! want uw gebed is verhoord, en uw vrouw Elizabet zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam heten Johannes.
14En u zal blijdschap en verheuging zijn, en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden.
15Want hij zal groot zijn voor den Heere; noch wijn, noch sterken drank zal hij drinken, en hij zal met den Heiligen Geest vervuld worden, ook van zijner moeders lijf aan.
16En hij zal velen der kinderen Israels bekeren tot den Heere, hun God.
17En hij zal voor Hem heengaan, in den geest en de kracht van Elias, om te bekeren de harten der vaderen tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid der rechtvaardigen, om den Heere te bereiden een toegerust volk.
18En Zacharias zeide tot den engel: Waarbij zal ik dat weten? Want ik ben oud, en mijn vrouw is verre op haar dagen gekomen.
19En de engel antwoordde en zeide tot hem: Ik ben Gabriel, die voor God sta, en ben uitgezonden, om tot u te spreken, en u deze dingen te verkondigen.
20En zie, gij zult zwijgen, en niet kunnen spreken, tot op den dag, dat deze dingen geschied zullen zijn; om dies wil, dat gij mijn woorden niet geloofd hebt, welke vervuld zullen worden op hun tijd.
21En het volk was wachtende op Zacharias, en zij waren verwonderd, dat hij zo lang vertoefde in den tempel.
22En als hij uitkwam, kon hij tot hen niet spreken; en zij bekenden, dat hij een gezicht in den tempel gezien had. En hij wenkte hun toe, en bleef stom.
23En het geschiedde, als de dagen zijner bediening vervuld waren, dat hij naar zijn huis ging.
24En na die dagen werd Elizabet, zijn vrouw, bevrucht; en zij verborg zich vijf maanden, zeggende:
25Alzo heeft mij de Heere gedaan, in de dagen, in welke Hij mij aangezien heeft, om mijn versmaadheid onder de mensen weg te nemen.
26En in de zesde maand werd de engel Gabriel van God gezonden naar een stad in Galilea, genaamd Nazareth;
27Tot een maagd, die ondertrouwd was met een man, wiens naam was Jozef, uit den huize Davids; en de naam der maagd was Maria.
28En de engel tot haar ingekomen zijnde, zeide: Wees gegroet, gij begenadigde; de Heere is met u; gij zijt gezegend onder de vrouwen.
29En als zij hem zag, werd zij zeer ontroerd over dit zijn woord, en overlegde, hoedanig deze groetenis mocht zijn.
30En de engel zeide tot haar: Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij God gevonden.
31En zie, gij zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten JEZUS.
32Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God, de Heere, zal Hem den troon van Zijn vader David geven.
33En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn.
34En Maria zeide tot den engel: Hoe zal dat wezen, dewijl ik geen man bekenne?
35En de engel, antwoordende, zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.
36En zie, Elizabet, uw nicht, is ook zelve bevrucht, met een zoon, in haar ouderdom; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genaamd was, de zesde.
37Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn.
38En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord. En de engel ging weg van haar.
39En Maria, opgestaan zijnde in diezelfde dagen, reisde met haast naar het gebergte, in een stad van Juda;
40En kwam in het huis van Zacharias, en groette Elizabet.
41En het geschiedde, als Elizabet de groetenis van Maria hoorde, zo sprong het kindeken op in haar buik; en Elizabet werd vervuld met den Heiligen Geest;
42En riep uit met een grote stem, en zeide: Gezegend zijt gij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht uws buiks!
43En van waar komt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt?
44Want zie, als de stem uwer groetenis in mijn oren geschiedde, zo sprong het kindeken van vreugde op in mijn buik.
45En zalig is zij, die geloofd heeft; want de dingen, die haar van den Heere gezegd zijn, zullen volbracht worden.
46En Maria zeide: Mijn ziel maakt groot den Heere;
47En mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker;
48Omdat Hij de nederheid Zijner dienstmaagd heeft aangezien; want zie, van nu aan zullen mij zalig spreken al de geslachten.
49Want grote dingen heeft aan mij gedaan Hij, Die machtig is, en heilig is Zijn Naam.
50En Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over degenen, die Hem vrezen.

KJV

1Forasmuch as many have taken in hand to set forth in order a declaration of those things which are most surely believed among us,
2Even as they delivered them unto us, which from the beginning were eyewitnesses, and ministers of the word;
3It seemed good to me also, having had perfect understanding of all things from the very first, to write unto thee in order, most excellent Theophilus,
4That thou mightest know the certainty of those things, wherein thou hast been instructed.
5There was in the days of Herod, the king of Judaea, a certain priest named Zacharias, of the course of Abia: and his wife was of the daughters of Aaron, and her name was Elisabeth.
6And they were both righteous before God, walking in all the commandments and ordinances of the Lord blameless.
7And they had no child, because that Elisabeth was barren, and they both were now well stricken in years.
8And it came to pass, that while he executed the priest's office before God in the order of his course,
9According to the custom of the priest's office, his lot was to burn incense when he went into the temple of the Lord.
10And the whole multitude of the people were praying without at the time of incense.
11And there appeared unto him an angel of the Lord standing on the right side of the altar of incense.
12And when Zacharias saw him, he was troubled, and fear fell upon him.
13But the angel said unto him, Fear not, Zacharias: for thy prayer is heard; and thy wife Elisabeth shall bear thee a son, and thou shalt call his name John.
14And thou shalt have joy and gladness; and many shall rejoice at his birth.
15For he shall be great in the sight of the Lord, and shall drink neither wine nor strong drink; and he shall be filled with the Holy Ghost, even from his mother's womb.
16And many of the children of Israel shall he turn to the Lord their God.
17And he shall go before him in the spirit and power of Elias, to turn the hearts of the fathers to the children, and the disobedient to the wisdom of the just; to make ready a people prepared for the Lord.
18And Zacharias said unto the angel, Whereby shall I know this? for I am an old man, and my wife well stricken in years.
19And the angel answering said unto him, I am Gabriel, that stand in the presence of God; and am sent to speak unto thee, and to shew thee these glad tidings.
20And, behold, thou shalt be dumb, and not able to speak, until the day that these things shall be performed, because thou believest not my words, which shall be fulfilled in their season.
21And the people waited for Zacharias, and marvelled that he tarried so long in the temple.
22And when he came out, he could not speak unto them: and they perceived that he had seen a vision in the temple: for he beckoned unto them, and remained speechless.
23And it came to pass, that, as soon as the days of his ministration were accomplished, he departed to his own house.
24And after those days his wife Elisabeth conceived, and hid herself five months, saying,
25Thus hath the Lord dealt with me in the days wherein he looked on me, to take away my reproach among men.
26And in the sixth month the angel Gabriel was sent from God unto a city of Galilee, named Nazareth,
27To a virgin espoused to a man whose name was Joseph, of the house of David; and the virgin's name was Mary.
28And the angel came in unto her, and said, Hail, thou that art highly favoured, the Lord is with thee: blessed art thou among women.
29And when she saw him, she was troubled at his saying, and cast in her mind what manner of salutation this should be.
30And the angel said unto her, Fear not, Mary: for thou hast found favour with God.
31And, behold, thou shalt conceive in thy womb, and bring forth a son, and shalt call his name JESUS.
32He shall be great, and shall be called the Son of the Highest: and the Lord God shall give unto him the throne of his father David:
33And he shall reign over the house of Jacob for ever; and of his kingdom there shall be no end.
34Then said Mary unto the angel, How shall this be, seeing I know not a man?
35And the angel answered and said unto her, The Holy Ghost shall come upon thee, and the power of the Highest shall overshadow thee: therefore also that holy thing which shall be born of thee shall be called the Son of God.
36And, behold, thy cousin Elisabeth, she hath also conceived a son in her old age: and this is the sixth month with her, who was called barren.
37For with God nothing shall be impossible.
38And Mary said, Behold the handmaid of the Lord; be it unto me according to thy word. And the angel departed from her.
39And Mary arose in those days, and went into the hill country with haste, into a city of Juda;
40And entered into the house of Zacharias, and saluted Elisabeth.
41And it came to pass, that, when Elisabeth heard the salutation of Mary, the babe leaped in her womb; and Elisabeth was filled with the Holy Ghost:
42And she spake out with a loud voice, and said, Blessed art thou among women, and blessed is the fruit of thy womb.
43And whence is this to me, that the mother of my Lord should come to me?
44For, lo, as soon as the voice of thy salutation sounded in mine ears, the babe leaped in my womb for joy.
45And blessed is she that believed: for there shall be a performance of those things which were told her from the Lord.
46And Mary said, My soul doth magnify the Lord,
47And my spirit hath rejoiced in God my Saviour.
48For he hath regarded the low estate of his handmaiden: for, behold, from henceforth all generations shall call me blessed.
49For he that is mighty hath done to me great things; and holy is his name.
50And his mercy is on them that fear him from generation to generation.