Johannes 1:1-50

NBV

1In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God.
2Het was in het begin bij God.
3Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat.
4In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen.
5Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.
6Er kwam iemand die door God was gezonden; hij heette Johannes.
7Hij kwam als getuige, om van het licht te getuigen, opdat iedereen door hem zou geloven.
8Hij was niet zelf het licht, maar hij was er om te getuigen van het licht:
9het ware licht, dat ieder mens verlicht en naar de wereld kwam.
10Het Woord was in de wereld, de wereld is door hem ontstaan en toch kende de wereld hem niet.
11Hij kwam naar wat van hem was, maar wie van hem waren hebben hem niet ontvangen.
12Wie hem wel ontvingen en in zijn naam geloven, heeft hij het voorrecht gegeven om kinderen van God te worden.
13Zij zijn niet op natuurlijke wijze geboren, niet uit lichamelijk verlangen of uit de wil van een man, maar uit God.
14Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader.
15Van hem getuigde Johannes toen hij uitriep: ‘Hij is het over wie ik zei: “Die na mij komt is meer dan ik, want hij was er vóór mij!”’
16Uit zijn overvloed zijn wij allen met goedheid overstelpt.
17De wet is door Mozes gegeven, maar goedheid en waarheid zijn met Jezus Christus gekomen.
18Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon, die zelf God is, die aan het hart van de Vader rust, heeft hem doen kennen.
19Dit is het getuigenis van Johannes. De Joden hadden vanuit Jeruzalem priesters en Levieten naar hem toe gestuurd om hem te vragen: ‘Wie bent u?’
20Hij gaf zonder aarzelen antwoord en verklaarde ronduit: ‘Ik ben niet de messias.’
21Toen vroegen ze hem: ‘Wie dan? Bent u Elia?’ Hij zei: ‘Die ben ik ook niet.’ ‘Bent u de profeet?’ ‘Nee, ‘antwoordde hij.
22‘Maar wie bent u dan?’ vroegen ze hem. ‘Wij moeten antwoord kunnen geven aan degenen die ons gestuurd hebben-wie zegt u zelf dat u bent?’
23Hij zei: ‘Ik ben de stem die roept in de woestijn: “Maak recht de weg van de Heer, ”zoals de profeet Jesaja gezegd heeft.’
24De afgevaardigden die uit de kring van de Farizeeën kwamen,
25vroegen verder: ‘Waarom doopt u dan, als u niet de messias bent, en ook niet Elia of de profeet?’
26‘Ik doop met water, ‘antwoordde Johannes. ‘Maar in uw midden is iemand die u niet kent,
27hij die na mij komt-ik ben het niet eens waard om de riemen van zijn sandalen los te maken.’
28Dit gebeurde in Betanië, aan de overkant van de Jordaan, waar Johannes doopte.
29De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen, en hij zei: ‘Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt.
30Hij is het over wie ik zei: “Na mij komt iemand die meer is dan ik, want hij was er vóór mij.”
31Ook ik wist niet wie hij was, maar ik kwam met water dopen opdat hij aan Israël geopenbaard zou worden.’
32En Johannes getuigde: ‘Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen, en hij bleef op hem rusten.
33Nog wist ik niet wie hij was, maar hij die mij gezonden heeft om met water te dopen, zei tegen mij: “Wanneer je ziet dat de Geest op iemand neerdaalt en blijft rusten, dan is dat degene die doopt met de heilige Geest.”
34En dat heb ik gezien, en ik getuig dat hij de Zoon van God is.’
35De volgende dag stond Johannes er weer met twee van zijn leerlingen.
36Toen hij Jezus voorbij zag komen, zei hij: ‘Daar is het lam van God.’
37De twee leerlingen hoorden wat hij zei en gingen met Jezus mee.
38Jezus draaide zich om, en toen hij zag dat ze hem volgden, zei hij: ‘Wat zoeken jullie?’ ‘Rabbi, ‘zeiden zij tegen hem (dat is in onze taal ‘meester’), ‘waar logeert u?’
39Hij zei: ‘Kom maar mee, dan zul je het zien.’ Ze gingen met hem mee en zagen waar hij onderdak had gevonden; het was ongeveer twee uur voor zonsondergang en ze bleven die dag bij hem.
40Een van de twee die gehoord hadden wat Johannes zei en Jezus gevolgd waren, was Andreas, de broer van Simon Petrus.
41Vlak daarna kwam hij zijn broer Simon tegen, en hij zei tegen hem: ‘Wij hebben de messias gevonden’ (dat is Christus, ‘gezalfde’),
42en hij nam hem mee naar Jezus. Jezus keek hem aan en zei: ‘Jij bent Simon, de zoon van Johannes, maar voortaan zul je Kefas heten’ (dat is Petrus, ‘rots’).
43De volgende dag besloot Jezus naar Galilea te gaan en daar ontmoette hij Filippus. Hij zei tegen hem: ‘Ga met mij mee.’
44Filippus kwam uit Betsaïda, uit dezelfde stad als Andreas en Petrus.
45Hij kwam Natanaël tegen en zei tegen hem: ‘We hebben de man gevonden over wie Mozes in de wet geschreven heeft en over wie ook de profeten spreken: Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret!’
46‘Uit Nazaret?’ zei Natanaël. ‘Kan daar iets goeds vandaan komen?’ ‘Ga zelf maar kijken, ‘zei Filippus.
47Jezus zag Natanaël aankomen en zei: ‘Dat is nu een echte Israëliet, een mens zonder bedrog.’
48‘Waar kent u mij van?’ vroeg Natanaël. Jezus antwoordde: ‘Ik had je al gezien voordat Filippus je riep, toen je onder de vijgenboom zat.’
49‘Rabbi, u bent de Zoon van God, u bent de koning van Israël!’ zei Natanaël.
50Jezus vroeg: ‘Geloof je omdat ik tegen je zei dat ik je onder de vijgenboom zag zitten? Je zult nog grotere dingen zien.’

SV

1In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.
2Dit was in den beginne bij God.
3Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is.
4In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen.
5En het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen.
6Er was een mens van God gezonden, wiens naam was Johannes.
7Deze kwam tot een getuigenis, om van het Licht te getuigen, opdat zij allen door hem geloven zouden.
8Hij was het Licht niet, maar was gezonden, opdat hij van het Licht getuigen zou.
9Dit was het waarachtige Licht, Hetwelk verlicht een iegelijk mens, komende in de wereld.
10Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt; en de wereld heeft Hem niet gekend.
11Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.
12Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven;
13Welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleses, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn.
14En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid.
15Johannes getuigt van Hem, en heeft geroepen, zeggende: Deze was het, van Welken ik zeide: Die na mij komt, is voor mij geworden, want Hij was eer dan ik.
16En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade.
17Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.
18Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard.
19En dit is de getuigenis van Johannes, toen de Joden enige priesters en Levieten afzonden van Jeruzalem, opdat zij hem zouden vragen: Wie zijt gij?
20En hij beleed en loochende het niet; en beleed: Ik ben de Christus niet.
21En zij vraagden hem: Wat dan? Zijt gij Elias? En hij zeide: Ik ben die niet. Zijt gij de profeet? En hij antwoordde: Neen.
22Zij zeiden dan tot hem: Wie zijt gij? opdat wij antwoord geven mogen dengenen, die ons gezonden hebben; wat zegt gij van uzelven?
23Hij zeide: Ik ben de stem des roependen in de woestijn: Maakt den weg des Heeren recht, gelijk Jesaja, de profeet, gesproken heeft.
24En de afgezondenen waren uit de Farizeen;
25En zij vraagden hem en spraken tot hem: Waarom doopt gij dan, zo gij de Christus niet zijt, noch Elias, noch de profeet?
26Johannes antwoordde hun, zeggende: Ik doop met water, maar Hij staat midden onder ulieden, Dien gij niet kent;
27Dezelve is het, Die na mij komt, Welke voor mij geworden is, Wien ik niet waardig ben, dat ik Zijn schoenriem zou ontbinden.
28Deze dingen zijn geschied in Bethabara, over de Jordaan, waar Johannes was dopende.
29Des anderen daags zag Johannes Jezus tot zich komende, en zeide: Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt!
30Deze is het, van Welken ik gezegd heb: Na mij komt een Man, Die voor mij geworden is, want Hij was eer dan ik.
31En ik kende Hem niet; maar opdat Hij aan Israel zou geopenbaard worden, daarom ben ik gekomen, dopende met het water.
32En Johannes getuigde, zeggende: Ik heb den Geest zien nederdalen uit den hemel, gelijk een duif, en bleef op Hem.
33En ik kende Hem niet; maar Die mij gezonden heeft, om te dopen met water, Die had mij gezegd: Op Welken gij den Geest zult zien nederdalen, en op Hem blijven, Deze is het, Die met den Heiligen Geest doopt.
34En ik heb gezien, en heb getuigd, dat Deze de Zoon van God is.
35Des anderen daags wederom stond Johannes, en twee uit zijn discipelen.
36En ziende op Jezus, daar wandelende, zeide hij: Ziet, het Lam Gods!
37En die twee discipelen hoorden hem dat spreken, en zij volgden Jezus.
38En Jezus Zich omkerende, en ziende hen volgen, zeide tot hen:
39Wat zoekt gij? En zij zeiden tot Hem: Rabbi! (hetwelk is te zeggen, overgezet zijnde, Meester) waar woont Gij?
40Hij zeide tot hen: Komt en ziet! Zij kwamen en zagen, waar Hij woonde, en bleven dien dag bij Hem. En het was omtrent de tiende ure.
41Andreas, de broeder van Simon Petrus, was een van de twee, die het van Johannes gehoord hadden, en Hem gevolgd waren.
42Deze vond eerst zijn broeder Simon, en zeide tot hem: Wij hebben gevonden den Messias, hetwelk is, overgezet zijnde, de Christus.
43En hij leidde hem tot Jezus. En Jezus, hem aanziende, zeide: Gij zijt Simon, de zoon van Jonas; gij zult genaamd worden Cefas, hetwelk overgezet wordt Petrus.
44Des anderen daags wilde Jezus heengaan naar Galilea, en vond Filippus, en zeide tot hem: Volg Mij.
45Filippus nu was van Bethsaida, uit de stad van Andreas en Petrus.
46Filippus vond Nathanael en zeide tot hem: Wij hebben Dien gevonden, van Welken Mozes in de wet geschreven heeft, en de profeten, namelijk Jezus, den zoon van Jozef, van Nazareth.
47En Nathanael zeide tot hem: Kan uit Nazareth iets goeds zijn? Filippus zeide tot hem: Kom en zie.
48Jezus zag Nathanael tot Zich komen, en zeide tot hem: Zie, waarlijk een Israeliet, in welken geen bedrog is.
49Nathanael zeide tot Hem: Van waar kent Gij mij? Jezus antwoordde en zeide tot hem: Eer u Filippus riep, daar gij onder den vijgeboom waart, zag Ik u.
50Nathanael antwoordde en zeide tot Hem: Rabbi! Gij zijt de Zone Gods, Gij zijt de Koning Israels.

KJV

1In the beginning was the Word, and the Word was with God, and the Word was God.
2The same was in the beginning with God.
3All things were made by him; and without him was not any thing made that was made.
4In him was life; and the life was the light of men.
5And the light shineth in darkness; and the darkness comprehended it not.
6There was a man sent from God, whose name was John.
7The same came for a witness, to bear witness of the Light, that all men through him might believe.
8He was not that Light, but was sent to bear witness of that Light.
9That was the true Light, which lighteth every man that cometh into the world.
10He was in the world, and the world was made by him, and the world knew him not.
11He came unto his own, and his own received him not.
12But as many as received him, to them gave he power to become the sons of God, even to them that believe on his name:
13Which were born, not of blood, nor of the will of the flesh, nor of the will of man, but of God.
14And the Word was made flesh, and dwelt among us, (and we beheld his glory, the glory as of the only begotten of the Father,) full of grace and truth.
15John bare witness of him, and cried, saying, This was he of whom I spake, He that cometh after me is preferred before me: for he was before me.
16And of his fulness have all we received, and grace for grace.
17For the law was given by Moses, but grace and truth came by Jesus Christ.
18No man hath seen God at any time; the only begotten Son, which is in the bosom of the Father, he hath declared him.
19And this is the record of John, when the Jews sent priests and Levites from Jerusalem to ask him, Who art thou?
20And he confessed, and denied not; but confessed, I am not the Christ.
21And they asked him, What then? Art thou Elias? And he saith, I am not. Art thou that prophet? And he answered, No.
22Then said they unto him, Who art thou? that we may give an answer to them that sent us. What sayest thou of thyself?
23He said, I am the voice of one crying in the wilderness, Make straight the way of the Lord, as said the prophet Esaias.
24And they which were sent were of the Pharisees.
25And they asked him, and said unto him, Why baptizest thou then, if thou be not that Christ, nor Elias, neither that prophet?
26John answered them, saying, I baptize with water: but there standeth one among you, whom ye know not;
27He it is, who coming after me is preferred before me, whose shoe's latchet I am not worthy to unloose.
28These things were done in Bethabara beyond Jordan, where John was baptizing.
29The next day John seeth Jesus coming unto him, and saith, Behold the Lamb of God, which taketh away the sin of the world.
30This is he of whom I said, After me cometh a man which is preferred before me: for he was before me.
31And I knew him not: but that he should be made manifest to Israel, therefore am I come baptizing with water.
32And John bare record, saying, I saw the Spirit descending from heaven like a dove, and it abode upon him.
33And I knew him not: but he that sent me to baptize with water, the same said unto me, Upon whom thou shalt see the Spirit descending, and remaining on him, the same is he which baptizeth with the Holy Ghost.
34And I saw, and bare record that this is the Son of God.
35Again the next day after John stood, and two of his disciples;
36And looking upon Jesus as he walked, he saith, Behold the Lamb of God!
37And the two disciples heard him speak, and they followed Jesus.
38Then Jesus turned, and saw them following, and saith unto them, What seek ye? They said unto him, Rabbi, (which is to say, being interpreted, Master,) where dwellest thou?
39He saith unto them, Come and see. They came and saw where he dwelt, and abode with him that day: for it was about the tenth hour.
40One of the two which heard John speak, and followed him, was Andrew, Simon Peter's brother.
41He first findeth his own brother Simon, and saith unto him, We have found the Messias, which is, being interpreted, the Christ.
42And he brought him to Jesus. And when Jesus beheld him, he said, Thou art Simon the son of Jona: thou shalt be called Cephas, which is by interpretation, A stone.
43The day following Jesus would go forth into Galilee, and findeth Philip, and saith unto him, Follow me.
44Now Philip was of Bethsaida, the city of Andrew and Peter.
45Philip findeth Nathanael, and saith unto him, We have found him, of whom Moses in the law, and the prophets, did write, Jesus of Nazareth, the son of Joseph.
46And Nathanael said unto him, Can there any good thing come out of Nazareth? Philip saith unto him, Come and see.
47Jesus saw Nathanael coming to him, and saith of him, Behold an Israelite indeed, in whom is no guile!
48Nathanael saith unto him, Whence knowest thou me? Jesus answered and said unto him, Before that Philip called thee, when thou wast under the fig tree, I saw thee.
49Nathanael answered and saith unto him, Rabbi, thou art the Son of God; thou art the King of Israel.
50Jesus answered and said unto him, Because I said unto thee, I saw thee under the fig tree, believest thou? thou shalt see greater things than these.