Open de Bijbel

Job 33:15-33
NBV 15 In de dromen en visioenen van de nacht, in de tover van de diepste slaap, of wanneer hij ligt te sluimeren, 16 opent God de oren van de mens en laat hem schrikken-een waarschuwing 17 om hem af te houden van een slechte daad, om hem voor hoogmoed te vrijwaren. 18 Hij behoedt hem voor de val in de afgrond, voor het oversteken van de doodsrivier. 19 Of de pijn op zijn ziekbed wijst hem terecht, de nooit aflatende strijd in zijn lichaam, 20 waardoor hij geen voedsel verdraagt en walgt van zijn lievelingsgerecht. 21 Hij teert weg tot een schim van zichzelf, en zijn botten, eerst onzichtbaar, steken uit. 22 Hij kruipt naar de afgrond, nadert de herauten van de dood. 23 Maar als hij een pleitbezorger heeft, een die zijn voorspraak is, één uit duizenden, om van zijn onschuld te getuigen, 24 en als God hem welgezind is en zegt: "Laat niet toe dat hij in de afgrond afdaalt, ik heb een losgeld voor hem verkregen, " 25 dan krijgt hij weer vlees op zijn botten als vroeger en keert hij terug naar de kracht van zijn jeugd. 26 Hij bidt weer tot God en God is hem gunstig gezind, hij roept het uit van vreugde en verschijnt voor hem, want hij wordt door God in ere hersteld. 27 Dan zingt hij het uit en zegt tegen ieder: "Ik heb gezondigd, wat recht is maakte ik krom, maar het werd mij niet aangerekend. 28 Hij redde mij van de val in de afgrond, opdat ik zal leven en van het licht genieten." 29 Zie, dit alles doet God, tot twee-, driemaal toe doet hij dit voor de mens: 30 hij haalt hem weg van de afgrond en het licht van het leven omstraalt hem. 31 Let goed op, Job, luister aandachtig; wees stil en laat mij spreken. 32 Als je iets te zeggen hebt, antwoord dan, spreek-moge het recht aan jouw kant staan. 33 Als je niets te zeggen hebt, luister dan, wees stil-laat mij jou de wijsheid leren.' Deze bijbeltekst is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004.
SV 15 In den droom, door het gezicht des nachts, als een diepe slaap op de lieden valt, in de sluimering op het leger; 16 Dan openbaart Hij het voor het oor der lieden, en Hij verzegelt hun kastijding; 17 Opdat Hij den mens afwende van zijn werk, en van den man de hovaardij verberge; 18 Dat Hij zijn ziel van het verderf afhoude; en zijn leven, dat het door het zwaard niet doorga. 19 Ook wordt hij gestraft met smart op zijn leger, en de sterke menigte zijner beenderen; 20 Zodat zijn leven het brood zelf verfoeit, en zijn ziel de begeerlijke spijze; 21 Dat zijn vlees verdwijnt uit het gezicht, en zijn beenderen, die niet gezien werden, uitsteken; 22 En zijn ziel nadert ten verderve, en zijn leven tot de dingen, die doden. 23 Is er dan bij Hem een Gezant, een Uitlegger, een uit duizend, om den mens zijn rechten plicht te verkondigen; 24 Zo zal Hij hem genadig zijn, en zeggen: Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden. 25 Zijn vlees zal frisser worden dan het was in de jeugd; hij zal tot de dagen zijner jonkheid wederkeren. 26 Hij zal tot God ernstiglijk bidden, Die in hem een welbehagen nemen zal, en zijn aangezicht met gejuich aanzien; want Hij zal den mens zijn gerechtigheid wedergeven. 27 Hij zal de mensen aanschouwen, en zeggen: Ik heb gezondigd, en het recht verkeerd, hetwelk mij niet heeft gebaat; 28 Maar God heeft mijn ziel verlost, dat zij niet voere in het verderf, zodat mijn leven het licht aanziet. 29 Zie, dit alles werkt God tweemaal of driemaal met een man; 30 Opdat hij zijn ziel afkere van het verderf, en hij verlicht worde met het licht der levenden. 31 Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken. 32 Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen. 33 Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.Deze bijbeltekst is ontleend aan aan de Staten Vertaling van 1637
KJV 15 In a dream, in a vision of the night, when deep sleep falleth upon men, in slumberings upon the bed; 16 Then he openeth the ears of men, and sealeth their instruction, 17 That he may withdraw man from his purpose, and hide pride from man. 18 He keepeth back his soul from the pit, and his life from perishing by the sword. 19 He is chastened also with pain upon his bed, and the multitude of his bones with strong pain: 20 So that his life abhorreth bread, and his soul dainty meat. 21 His flesh is consumed away, that it cannot be seen; and his bones that were not seen stick out. 22 Yea, his soul draweth near unto the grave, and his life to the destroyers. 23 If there be a messenger with him, an interpreter, one among a thousand, to shew unto man his uprightness: 24 Then he is gracious unto him, and saith, Deliver him from going down to the pit: I have found a ransom. 25 His flesh shall be fresher than a child's: he shall return to the days of his youth: 26 He shall pray unto God, and he will be favourable unto him: and he shall see his face with joy: for he will render unto man his righteousness. 27 He looketh upon men, and if any say, I have sinned, and perverted that which was right, and it profited me not; 28 He will deliver his soul from going into the pit, and his life shall see the light. 29 Lo, all these things worketh God oftentimes with man, 30 To bring back his soul from the pit, to be enlightened with the light of the living. 31 Mark well, O Job, hearken unto me: hold thy peace, and I will speak. 32 If thou hast any thing to say, answer me: speak, for I desire to justify thee. 33 If not, hearken unto me: hold thy peace, and I shall teach thee wisdom.Deze bijbeltekst is ontleend aan aan de King James Version