Job 3:13-19

NBV

13Dan zou ik nu geborgen in de aarde liggen, dan zou ik geen zorgen hebben, ik zou slapen,
14omringd door koningen en raadsheren, bouwers van paleizen, al vergaan tot puin,
15tussen machtigen die goud bezaten en die hun huis met zilver vulden.
16Was ik maar als een misgeboorte weggestopt, als een kind dat het licht nooit heeft gezien.
17In het dodenrijk worden de goddelozen stil, zij die uitgeput zijn, vinden daar hun rust.
18Gevangenen worden niet meer opgejaagd, de stem van de drijver horen ze niet meer.
19Daar zijn hoog en laag verzameld en is de slaaf vrij van zijn meester.

SV

13Want nu zou ik nederliggen, en stil zijn; ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen;
14Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;
15Of met de vorsten, die goud hadden, die hun huizen met zilver vervulden.
16Of als een verborgene misdracht, zou ik niet zijn; als de kinderkens, die het licht niet gezien hebben.
17Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht;
18Daar zijn de gebondenen te zamen in rust; zij horen de stem des drijvers niet.
19De kleine en de grote is daar; en de knecht vrij van zijn heer.

KJV

13For now should I have lain still and been quiet, I should have slept: then had I been at rest,
14With kings and counsellors of the earth, which built desolate places for themselves;
15Or with princes that had gold, who filled their houses with silver:
16Or as an hidden untimely birth I had not been; as infants which never saw light.
17There the wicked cease from troubling; and there the weary be at rest.
18There the prisoners rest together; they hear not the voice of the oppressor.
19The small and great are there; and the servant is free from his master.