Job 19:13-15, 18

SV

13Mijn broeders heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd.
14Mijn nabestaanden houden op, en mijn bekenden vergeten mij.
15Mijn huisgenoten en mijn dienstmaagden achten mij voor een vreemde; een uitlander ben ik in hun ogen.
18Ook versmaden mij de jonge kinderen; sta ik op, zo spreken zij mij tegen.

KJV

13He hath put my brethren far from me, and mine acquaintance are verily estranged from me.
14My kinsfolk have failed, and my familiar friends have forgotten me.
15They that dwell in mine house, and my maids, count me for a stranger: I am an alien in their sight.
18Yea, young children despised me; I arose, and they spake against me.
Helaas geen NBV vertaling meer. Binnen de huidige voorwaarden van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap is dit momenteel niet toegestaan.

Suggesties voor alternatieven zijn welkom via het feedback formulier.