Jesaja 38:9-22

NBV

9Een stil gebed van koning Hizkia van Juda, toen hij ziek was en van zijn ziekte herstelde.
10Ik dacht: In de bloei van mijn leven moet ik gaan, de tijd die mij rest verblijf ik in het dodenrijk.
11Ik dacht: Ik zal de HEER niet meer zien in het land der levenden, of ooit nog een mens aanschouwen daar waar alles zijn einde vindt.
12Mijn woonplaats werd ontruimd en lag open, zoals de tent van een herder; ik rolde mijn leven op zoals een wever het tentdoek, hij heeft mijn draad afgesneden. Dag en nacht staat u mij naar het leven,
13weerloos lig ik tot het ochtendgloren, als een leeuw breekt u al mijn botten. Dag en nacht staat u mij naar het leven,
14ik piep als een gierzwaluw, ik klaag en kreun als een duif. Met geloken ogen roep ik naar omhoog: ‘Ach Heer, sta in mijn nood voor mij in.’
15Wat zal ik nog zeggen? Wat hij mij beloofd heeft, doet hij ook. Ik zou mijn levensweg hebben vervolgd, gebukt onder mijn bittere lot.
16Maar mijn Heer zei: ‘Tijd om te leven!’ Al die tijd zal mijn geest in leven blijven. U geeft mij nieuwe kracht, u doet mij herleven.
17Zo heeft mijn bittere lot mij vrede gebracht. U hebt mij behoed voor het zinloze graf, u hebt mijn zonden weggedaan.
18Nee, het dodenrijk zal u niet loven, de dood prijst u niet, zij die in het graf zijn afgedaald verlaten zich niet op uw trouw.
19Maar hij die leeft-leeft! -zal u loven, zoals ik doe op deze dag. Ouders laten hun kinderen weten hoe trouw u bent.
20De HEER is mij te hulp gekomen. Laten wij op de snaren spelen in de tempel van de HEER, alle dagen van ons leven.
21Jesaja beval de dienaren van de koning een plak gedroogde vijgen te nemen en de ontstoken plek ermee in te wrijven, waarop Hizkia nieuwe krachten kreeg.
22Hij vroeg: ‘Krijg ik van de HEER ook een teken dat ik weer naar de tempel zal kunnen gaan?’

SV

9Dit is het schrift van Hizkia, koning van Juda, toen hij ziek geweest en van zijn ziekte genezen was.
10Ik zeide: Vanwege de afsnijding mijner dagen, zal ik tot de poorten des grafs heengaan, ik word beroofd van het overige mijner jaren.
11Ik zeide: Ik zal den HEERE niet meer zien, den HEERE, in het land der levenden; ik zal de mensen niet meer aanschouwen met de inwoners der wereld.
12Mijn levenstijd is weggetogen, en van mij weggevoerd gelijk eens herders hut; ik heb mijn leven afgesneden, gelijk een wever zijn web; Hij zal mij afsnijden, als van den drom; van den dag tot den nacht zult Gij mij ten einde gebracht hebben.
13Ik stelde mij voor tot den morgenstond toe; gelijk een leeuw, alzo zal Hij al mijn beenderen breken; van den dag tot den nacht, zult Gij mij ten einde gebracht hebben.
14Gelijk een kraan of zwaluw, alzo piepte ik; ik kirde als een duif; mijn ogen verhieven zich omhoog; o HEERE! ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg.
15Wat zal ik spreken? Gelijk Hij het mij heeft toegezegd, alzo heeft Hij het gedaan; ik zal nu al zoetjes voorttreden al mijn jaren, vanwege de bitterheid mijner ziel.
16Heere, bij deze dingen leeft men, en in dit alles is het leven van mijn geest; want Gij hebt mij gezond gemaakt en mij genezen.
17Zie, in vrede is mij de bitterheid bitter geweest; maar Gij hebt mijn ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwame; want Gij hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen.
18Want het graf zal U niet loven, de dood zal U niet prijzen; die in den kuil nederdalen, zullen op Uw waarheid niet hopen.
19De levende, de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe; de vader zal den kinderen Uw waarheid bekend maken.
20De HEERE was gereed om mij te verlossen; daarom zullen wij op mijn snarenspel spelen; al de dagen onzes levens, in het huis des HEEREN.
21Jesaja nu had gezegd: Laat men nemen een klomp vijgen, en tot een pleister op het gezwel maken, en hij zal genezen.
22En Hizkia had gezegd: Welk zal het teken zijn, dat ik ten huize des HEEREN zal opgaan?

KJV

9The writing of Hezekiah king of Judah, when he had been sick, and was recovered of his sickness:
10I said in the cutting off of my days, I shall go to the gates of the grave: I am deprived of the residue of my years.
11I said, I shall not see the LORD, even the LORD, in the land of the living: I shall behold man no more with the inhabitants of the world.
12Mine age is departed, and is removed from me as a shepherd's tent: I have cut off like a weaver my life: he will cut me off with pining sickness: from day even to night wilt thou make an end of me.
13I reckoned till morning, that, as a lion, so will he break all my bones: from day even to night wilt thou make an end of me.
14Like a crane or a swallow, so did I chatter: I did mourn as a dove: mine eyes fail with looking upward: O LORD, I am oppressed; undertake for me.
15What shall I say? he hath both spoken unto me, and himself hath done it: I shall go softly all my years in the bitterness of my soul.
16O Lord, by these things men live, and in all these things is the life of my spirit: so wilt thou recover me, and make me to live.
17Behold, for peace I had great bitterness: but thou hast in love to my soul delivered it from the pit of corruption: for thou hast cast all my sins behind thy back.
18For the grave cannot praise thee, death can not celebrate thee: they that go down into the pit cannot hope for thy truth.
19The living, the living, he shall praise thee, as I do this day: the father to the children shall make known thy truth.
20The LORD was ready to save me: therefore we will sing my songs to the stringed instruments all the days of our life in the house of the LORD.
21For Isaiah had said, Let them take a lump of figs, and lay it for a plaister upon the boil, and he shall recover.
22Hezekiah also had said, What is the sign that I shall go up to the house of the LORD?