Open de Bijbel

Jesaja 30:1-7
NBV1 Wee jullie, koppige kinderen-spreekt de HEER -,die plannen uitvoeren tegen mijn wil, verdragen sluiten tegen mijn zin en zo zonde op zonde stapelen; 2 die zonder mij te raadplegen op weg gaan naar Egypte, om te schuilen in de vesting van de farao en bescherming te zoeken in de schaduw van Egypte. 3 De vesting van de farao zal jullie schande brengen, de bescherming van Egyptes schaduw smaad. 4 Al gaan jullie leiders naar Soan, al komen jullie gezanten tot in Chanes, 5 ze bereiken er helemaal niets, want dat volk heeft niets te bieden. Het brengt hun geen hulp of voordeel, maar slechts schande, spot en hoon. 6 Profetie over de dieren van het Zuiden. Door een land van ellende en ontbering- het domein van leeuwin en leeuw, van slang en vliegensvlugge cobra-vervoeren zij hun schatten op ezelsruggen, hun rijkdommen op kamelenbulten, naar een volk dat niets te bieden heeft. 7 De hulp van Egypte is loos en leeg; dus noem ik het Rahab, ‘Tandeloos monster’. Deze bijbeltekst is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004.
SV1 Wee den kinderen, die afvallen, spreekt de HEERE, om een raadslag te maken, maar niet uit Mij, en om zich met een bedekking te bedekken, maar niet uit Mijn Geest, om zonde tot zonde te doen; 2 Die gaan, om af te trekken in Egypte, en vragen Mijn mond niet; om zich te sterken met de macht van Farao, en om hun toevlucht te nemen onder de schaduw van Egypte. 3 Want de sterkte van Farao zal ulieden tot schaamte zijn, en die toevlucht onder de schaduw van Egypte tot schande. 4 Wanneer zijn vorsten zullen geweest zijn tot Zoan, en zijn gezanten zullen gekomen zijn tot nabij Chanes; 5 Hij zal hen allen beschaamd maken door een volk, dat hun geen nut kan doen, noch tot hulp, noch tot voordeel, maar tot schande en ook tot smaadheid zijn zal. 6 De last der beesten, van het zuiden, naar het land des angstes, en der benauwdheid, van waar de sterke leeuw en de oude leeuw is, de basilisk en de vurige vliegende draak; hun goederen zullen zij voeren op den rug der veulens, en hun schatten op de bulten der kemelen, tot het volk, dat hun geen nut doen zal. 7 Want Egypte zal ijdellijk en te vergeefs helpen; daarom heb Ik hierover geroepen; Stilzitten zal hun sterkte zijn.Deze bijbeltekst is ontleend aan aan de Staten Vertaling van 1637
KJV1 Woe to the rebellious children, saith the LORD, that take counsel, but not of me; and that cover with a covering, but not of my spirit, that they may add sin to sin: 2 That walk to go down into Egypt, and have not asked at my mouth; to strengthen themselves in the strength of Pharaoh, and to trust in the shadow of Egypt! 3 Therefore shall the strength of Pharaoh be your shame, and the trust in the shadow of Egypt your confusion. 4 For his princes were at Zoan, and his ambassadors came to Hanes. 5 They were all ashamed of a people that could not profit them, nor be an help nor profit, but a shame, and also a reproach. 6 The burden of the beasts of the south: into the land of trouble and anguish, from whence come the young and old lion, the viper and fiery flying serpent, they will carry their riches upon the shoulders of young asses, and their treasures upon the bunches of camels, to a people that shall not profit them. 7 For the Egyptians shall help in vain, and to no purpose: therefore have I cried concerning this, Their strength is to sit still.Deze bijbeltekst is ontleend aan aan de King James Version