Open de Bijbel

Jesaja 14:4-17
NBV 4 En jullie zullen het volgende spotlied op de koning van Babylonië aanheffen: ‘Het is gedaan met die slavendrijver, gedaan met zijn dwingelandij. 5 De HEER heeft de stok van de goddelozen gebroken, de scepter van de heersers, 6 die de volken sloeg met woedende slagen, zonder eind, die hen belaagde met zijn toorn, zonder maat. 7 Overal op aarde is rust en vrede, vrolijk gejubel weerklinkt. 8 Op de Libanon heerst zelfs vreugde onder de ceders en de cipressen: “Nu jij geveld bent, komt niemand ons meer vellen.” 9 Het dodenrijk beneden is in rep en roer om jou een ontvangst te bereiden: het wekt de schimmen voor je op van alle leiders van de aarde, het laat de vorsten van vreemde volken voor jou opstaan van hun troon. 10 Hoor hoe zij je onthalen: “Nu ben jij even zwak als wij, je bent echt een van ons. 11 Je pracht en praal, en de klank van je harpen, ze worden dit dodenrijk binnengebracht. Wormen zijn je bed, maden je deken.” 12 O morgenster, zoon van de dageraad, hoe diep ben je uit de hemel gevallen. Overwinnaar van alle volken, hoe smadelijk lig je daar geveld. 13 Je zei bij jezelf: Ik stijg op naar de hemel, boven Gods sterren plaats ik mijn troon. Ik zetel op de toppen van de Safon, de berg waar de goden bijeenkomen. 14 Ik stijg op tot boven de wolken, ik evenaar de Allerhoogste. 15 Nee! Je daalt af in het dodenrijk, in de allerdiepste put. 16 Ze zien je, ze kijken naar je en kijken nog eens goed naar je: “Is dit de man die de aarde deed beven en koninkrijken deed sidderen? 17 Die het land tot verval bracht en steden verwoestte? Die zijn gevangenen nooit liet gaan?” Deze bijbeltekst is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004.
SV 4 Dan zult gij deze spreuk opnemen tegen den koning van Babel, en zeggen: Hoe houdt de drijver op? Hoe houdt de goudene op? 5 De HEERE heeft den stok der goddelozen gebroken, den scepter der heersers. 6 Die de volken plaagde in verbolgenheid met een plaag zonder ophouden, die in toorn over de heidenen heerste, die wordt vervolgd, zonder dat het iemand afweren kan. 7 De ganse aarde rust, zij is stil; zij maken groot geschal met gejuich. 8 Ook verheugen zich de dennen over u, en de cederen van Libanon, zeggende: Sinds dat gij daar nederligt, komt niemand tegen ons op, die ons afhouwe. 9 De hel van onderen was beroerd om uwentwil, om u tegemoet te gaan, als gij kwaamt; zij wekt om uwentwil de doden op, al de bokken der aarde; zij doet al de koningen der heidenen van hun tronen opstaan. 10 Die altegader zullen antwoorden, en tot u zeggen: Gij zijt ook krank geworden, gelijk wij, gij zijt ons gelijk geworden. 11 Uw hovaardij is in de hel nedergestort, met het geklank uwer luiten; de maden zullen onder u gestrooid worden, en de wormen zullen u bedekken. 12 Hoe zijt gij uit den hemel gevallen, o morgenster, gij zoon des dageraads! hoe zijt gij ter aarde nedergehouwen, gij, die de heidenen krenktet! 13 En zeidet in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen; en ik zal mij zetten op den berg der samenkomst aan de zijden van het noorden. 14 Ik zal boven de hoogten der wolken klimmen, ik zal den Allerhoogste gelijk worden. 15 Ja, in de hel zult gij nedergestoten worden, aan de zijden van den kuil! 16 Die u zien zullen, zullen u aanschouwen, zij zullen op u letten, en zeggen: Is dat die man, die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven? 17 Die de wereld als een woestijn stelde, en derzelver steden verstoorde, die zijn gevangenen niet liet los gaan naar huis toe?Deze bijbeltekst is ontleend aan aan de Staten Vertaling van 1637
KJV 4 That thou shalt take up this proverb against the king of Babylon, and say, How hath the oppressor ceased! the golden city ceased! 5 The LORD hath broken the staff of the wicked, and the sceptre of the rulers. 6 He who smote the people in wrath with a continual stroke, he that ruled the nations in anger, is persecuted, and none hindereth. 7 The whole earth is at rest, and is quiet: they break forth into singing. 8 Yea, the fir trees rejoice at thee, and the cedars of Lebanon, saying, Since thou art laid down, no feller is come up against us. 9 Hell from beneath is moved for thee to meet thee at thy coming: it stirreth up the dead for thee, even all the chief ones of the earth; it hath raised up from their thrones all the kings of the nations. 10 All they shall speak and say unto thee, Art thou also become weak as we? art thou become like unto us? 11 Thy pomp is brought down to the grave, and the noise of thy viols: the worm is spread under thee, and the worms cover thee. 12 How art thou fallen from heaven, O Lucifer, son of the morning! how art thou cut down to the ground, which didst weaken the nations! 13 For thou hast said in thine heart, I will ascend into heaven, I will exalt my throne above the stars of God: I will sit also upon the mount of the congregation, in the sides of the north: 14 I will ascend above the heights of the clouds; I will be like the most High. 15 Yet thou shalt be brought down to hell, to the sides of the pit. 16 They that see thee shall narrowly look upon thee, and consider thee, saying, Is this the man that made the earth to tremble, that did shake kingdoms; 17 That made the world as a wilderness, and destroyed the cities thereof; that opened not the house of his prisoners?Deze bijbeltekst is ontleend aan aan de King James Version