2 Kronieken 35:1-24

NBV

1Josia vierde in Jeruzalem Pesach ter ere van de HEER. Op de veertiende dag van de eerste maand werden de dieren voor het pesachoffer geslacht.
2Hij liet de priesters aantreden om hun taken uit te voeren en spoorde hen aan hun dienst in de tempel van de HEER plichtsgetrouw te volbrengen.
3En de Levieten, die heel Israël onderwijzen en voor de dienst van de HEER geheiligd zijn, droeg hij op: 'Zet de heilige ark neer in de tempel die koning Salomo van Israël, de zoon van David, heeft gebouwd. U hoeft de ark niet meer op uw schouders mee te dragen. Voortaan kunt u zich volledig wijden aan de dienst van de HEER, uw God, en zijn volk Israël.
4Neem per familie en afdeling uw plaatsen in, overeenkomstig de voorschriften van koning David van Israël en zijn zoon Salomo.
5Voor elke groep families van uw volksgenoten moet in het heiligdom een afdeling van de Levitische families gereedstaan.
6Slacht de dieren voor het pesachoffer. Heilig u en bereid voor uw volksgenoten het pesachoffer zoals de HEER het bij monde van Mozes heeft bevolen.'
7Koning Josia had voor alle aanwezigen van het gewone volk uit zijn eigen vermogen dieren voor het pesachoffer ter beschikking gesteld, dertigduizend lammeren en geitjes, en bovendien nog drieduizend runderen.
8Ook de raadsheren van de koning stelden met gulle hand bijdragen ter beschikking van het volk, de priesters en de Levieten. Chilkia, Zecharja en Jechiël, die in de tempel van God de leiding hadden, schonken aan de priesters zesentwintighonderd dieren die als pesachoffer geschikt waren en driehonderd runderen.
9De leiders van de Levieten, Konanjahu en zijn broers Semaja en Netanel, Chasabja, Jeïel en Jozabad, stelden vijfduizend lammeren en geitjes en vijfhonderd runderen ter beschikking van de Levieten.
10Toen alles voor de dienst in gereedheid was gebracht, de priesters hun vaste plaatsen hadden ingenomen en de Levieten zich per afdeling hadden opgesteld, zoals de koning had bevolen,
11werden de dieren voor het pesachoffer geslacht. De priesters goten het bloed uit en de Levieten vilden de offerdieren.
12Zij verwijderden ook de delen die verbrand moesten worden en deelden die uit aan de families van het gewone volk, zodat die ze aan de HEER konden aanbieden zoals in het boek van Mozes is voorgeschreven. Hetzelfde gebeurde met de runderen.
13Het vlees voor het pesachoffer werd, anders dan dat voor de overige offers, dat in kookpotten, pannen en schalen werd bereid, boven het vuur geroosterd, zoals de regel voorschrijft, en meteen onder het volk uitgedeeld.
14Daarna maakten de Levieten ook voor zichzelf en voor de priesters het pesachmaal klaar. De priesters, de nakomelingen van Aäron, waren namelijk tot in de nacht bezig de vette delen van de offers te verbranden. Daarom bereidden de Levieten behalve voor zichzelf ook voor de priesters het pesachoffer.
15Ook de zangers, de nakomelingen van Asaf, konden op hun post blijven, zoals koning David en zijn zieners aan Asaf, Heman en Jedutun bevolen hadden, evenals de poortwachters die bij alle poorten stonden opgesteld. Er was niets dat hen ervan weerhield hun plicht te vervullen, want hun verwanten, de Levieten, bereidden voor hen het pesachoffer.
16Zo herstelde men die dag op bevel van koning Josia de dienst aan de HEER in ere door Pesach te vieren en offers te brengen op het altaar van de HEER.
17Alle aanwezige Israëlieten vierden Pesach en daarna het feest van het Ongedesemde brood, zeven dagen lang.
18Sinds de dagen van de profeet Samuël was Pesach in Israël niet meer op deze manier gevierd. Geen van Israëls koningen had Pesach gevierd zoals Josia nu deed met de priesters en de Levieten en allen die uit Juda en Israël waren gekomen en de inwoners van Jeruzalem.
19Het was in het achttiende regeringsjaar van Josia dat Pesach weer op deze manier gevierd werd.
20Na dit alles, nadat Josia in de tempel orde op zaken had gesteld, gebeurde het dat koning Necho van Egypte optrok om slag te leveren bij Karkemis aan de Eufraat. Josia trok hem tegemoet.
21Koning Necho stuurde hem afgezanten met het volgende bericht: 'Wat wilt u van mij, koning van Juda? Het is niet tegen u dat ik optrek, maar tegen het koningshuis waarmee ik in oorlog ben. God heeft mij gezegd dat ik moest voortmaken. U kunt u beter niet mengen in de zaken van God, die mij ter zijde staat, anders zal hij u vernietigen.'
22Josia trok zich echter niet terug, maar verkleedde zich om met Necho slag te leveren. Hij luisterde niet naar wat Necho op gezag van God had gezegd, maar ging in de vlakte van Megiddo tot de aanval over.
23Hij werd door boogschutters geraakt en riep toen zijn dienaren toe: 'Haal me hier weg, ik ben zwaargewond.'
24Zijn dienaren haalden hem van zijn strijdwagen, legden hem op zijn andere wagen en brachten hem naar Jeruzalem. Daar stierf hij, en hij werd bij zijn voorouders begraven. Heel Juda en Jeruzalem rouwde over Josia.

SV

1Daarna hield Josia het pascha den HEERE te Jeruzalem; en zij slachtten het pascha op den veertienden der eerste maand.
2En hij stelde de priesteren op hun wachten; en hij sterkte hen tot den dienst van het huis des HEEREN.
3En hij zeide tot de Levieten, die gans Israel onderwezen, die den HEERE heilig waren: Zet de heilige ark in het huis, hetwelk Salomo, de zoon van David, de koning van Israel, gebouwd heeft; gij hebt geen last op de schouderen; dient nu den HEERE, uw God, en Zijn volk Israel;
4En bereidt u naar de huizen uwer vaderen, naar uw verdelingen, naar het voorschrift van David, den koning van Israel, en naar de beschrijving van zijn zoon Salomo;
5En staat in het heiligdom, naar de onderscheiding der vaderlijke huizen, voor uw broederen, het volk, en naar de afdeling van de vaderlijke huizen der Levieten;
6En slacht het pascha, en heiligt u, en bereidt dat voor uw broederen, doende naar het woord des HEEREN, door de hand van Mozes.
7En Josia gaf voor het volk, van klein vee, lammeren en jonge geitenbokken, die alle tot paasofferen, naar al hetgeen er gevonden werd, in getal dertig duizend; maar van runderen drie duizend; dit was van des konings have.
8Ook gaven zijn vorsten tot een vrijwillig offer voor het volk, voor de priesteren, en voor de Levieten; Hilkia, en Zacharia, en Jehiel, de oversten van het huis Gods, gaven den priesteren tot paasofferen, twee duizend en zeshonderd klein vee, en driehonderd runderen.
9Daartoe Chonanja, en Semaja, en Nethaneel, zijn broeders, mitsgaders Hasabja, en Jeiel, en Jozabad, de oversten der Levieten, gaven den Levieten tot paasofferen, vijf duizend klein vee en vijfhonderd runderen.
10Alzo werd de dienst toebereid; en de priesteren stonden in hun standplaats, en de Levieten in hun verdelingen, naar het gebod des konings.
11Daarna slachtte men het pascha, en de priesters sprengden het bloed uit hun handen, en de Levieten trokken de huiden af.
12En zij namen het brandoffer daar af, opdat zij die naar de verdelingen der vaderlijke huizen, aan het volk geven mochten, om den HEERE te offeren, gelijk geschreven is in het boek van Mozes; en alzo met de runderen.
13En zij kookten het pascha bij het vuur, naar het recht; maar de andere heilige dingen kookten zij in potten, en in ketels, en in pannen; en zij deelden het haastelijk onder al het volk.
14Daarna bereidden zij ook voor zichzelven en voor de priesteren; want de priesters, de zonen van Aaron, waren tot aan den nacht in het offeren der brandofferen en des vets; daarom bereidden de Levieten voor zichzelven, en voor de priesteren, de zonen van Aaron.
15En de zangers, de zonen van Asaf, waren in hun standplaats, naar het gebod van David, en Asaf, en Heman, en Jeduthun, den ziener des konings, mitsgaders de poortiers aan elke poort; zij behoefden niet te wijken van hun dienst, overmits hun broeders, de Levieten, voor hen bereidden.
16Alzo werd de ganse dienst des HEEREN op denzelfden dag beschikt, om pascha te houden, en brandofferen op het altaar des HEEREN te offeren, naar het gebod van den koning Josia.
17En de kinderen Israels, die er gevonden werden, hielden het pascha ter zelfder tijd, en het feest der ongezuurde broden, zeven dagen.
18Daar was ook geen pascha als dat in Israel gehouden, van de dagen van Samuel, den profeet, af; en geen koningen van Israel hadden zulk een pascha gehouden, gelijk dat Josia hield met de priesters en de Levieten, en gans Juda en Israel, dat er gevonden werd, en de inwoners van Jeruzalem.
19In het achttiende jaar van het koninkrijk van Josia, werd dit pascha gehouden.
20Na dit alles, toen Josia het huis toebereid had, toog Necho, de koning van Egypte, op, om te krijgen tegen Karchemis, aan den Frath; en Josia toog uit hem tegemoet.
21Toen zond hij boden tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij, koning van Juda? Wat u aangaat, ik ben heden tegen u niet, maar tegen een huis, dat oorlog voert tegen mij; en God heeft gezegd, dat ik mij haasten zou; houd u af van God, Die met mij is, opdat Hij u niet verderve.
22Doch Josia keerde zijn aangezicht niet van hem; maar hij verstelde zich, om tegen hem te strijden, en hoorde niet naar de woorden van Necho uit den mond van God; maar hij kwam om te strijden in het dal Megiddo.
23En de schutters schoten den koning Josia. Toen zeide de koning tot zijn knechten: Voert mij weg, want ik ben zeer gewond.
24En zijn knechten namen hem weg van den wagen, en voerden hem op den tweeden wagen, dien hij had, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven zijner vaderen; en gans Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia.

KJV

1Moreover Josiah kept a passover unto the LORD in Jerusalem: and they killed the passover on the fourteenth day of the first month.
2And he set the priests in their charges, and encouraged them to the service of the house of the LORD,
3And said unto the Levites that taught all Israel, which were holy unto the LORD, Put the holy ark in the house which Solomon the son of David king of Israel did build; it shall not be a burden upon your shoulders: serve now the LORD your God, and his people Israel,
4And prepare yourselves by the houses of your fathers, after your courses, according to the writing of David king of Israel, and according to the writing of Solomon his son.
5And stand in the holy place according to the divisions of the families of the fathers of your brethren the people, and after the division of the families of the Levites.
6So kill the passover, and sanctify yourselves, and prepare your brethren, that they may do according to the word of the LORD by the hand of Moses.
7And Josiah gave to the people, of the flock, lambs and kids, all for the passover offerings, for all that were present, to the number of thirty thousand, and three thousand bullocks: these were of the king's substance.
8And his princes gave willingly unto the people, to the priests, and to the Levites: Hilkiah and Zechariah and Jehiel, rulers of the house of God, gave unto the priests for the passover offerings two thousand and six hundred small cattle, and three hundred oxen.
9Conaniah also, and Shemaiah and Nethaneel, his brethren, and Hashabiah and Jeiel and Jozabad, chief of the Levites, gave unto the Levites for passover offerings five thousand small cattle, and five hundred oxen.
10So the service was prepared, and the priests stood in their place, and the Levites in their courses, according to the king's commandment.
11And they killed the passover, and the priests sprinkled the blood from their hands, and the Levites flayed them.
12And they removed the burnt offerings, that they might give according to the divisions of the families of the people, to offer unto the LORD, as it is written in the book of Moses. And so did they with the oxen.
13And they roasted the passover with fire according to the ordinance: but the other holy offerings sod they in pots, and in caldrons, and in pans, and divided them speedily among all the people.
14And afterward they made ready for themselves, and for the priests: because the priests the sons of Aaron were busied in offering of burnt offerings and the fat until night; therefore the Levites prepared for themselves, and for the priests the sons of Aaron.
15And the singers the sons of Asaph were in their place, according to the commandment of David, and Asaph, and Heman, and Jeduthun the king's seer; and the porters waited at every gate; they might not depart from their service; for their brethren the Levites prepared for them.
16So all the service of the LORD was prepared the same day, to keep the passover, and to offer burnt offerings upon the altar of the LORD, according to the commandment of king Josiah.
17And the children of Israel that were present kept the passover at that time, and the feast of unleavened bread seven days.
18And there was no passover like to that kept in Israel from the days of Samuel the prophet; neither did all the kings of Israel keep such a passover as Josiah kept, and the priests, and the Levites, and all Judah and Israel that were present, and the inhabitants of Jerusalem.
19In the eighteenth year of the reign of Josiah was this passover kept.
20After all this, when Josiah had prepared the temple, Necho king of Egypt came up to fight against Carchemish by Euphrates: and Josiah went out against him.
21But he sent ambassadors to him, saying, What have I to do with thee, thou king of Judah? I come not against thee this day, but against the house wherewith I have war: for God commanded me to make haste: forbear thee from meddling with God, who is with me, that he destroy thee not.
22Nevertheless Josiah would not turn his face from him, but disguised himself, that he might fight with him, and hearkened not unto the words of Necho from the mouth of God, and came to fight in the valley of Megiddo.
23And the archers shot at king Josiah; and the king said to his servants, Have me away; for I am sore wounded.
24His servants therefore took him out of that chariot, and put him in the second chariot that he had; and they brought him to Jerusalem, and he died, and was buried in one of the sepulchres of his fathers. And all Judah and Jerusalem mourned for Josiah.