1 Korinthe 11:3-16

NBV

3Ik moet u echter nog het volgende zeggen. Christus is het hoofd van de man, de man het hoofd van de vrouw en God het hoofd van Christus.
4Iedere man die met bedekt hoofd bidt of profeteert, maakt zijn hoofd te schande.
5Maar een vrouw maakt haar hoofd te schande wanneer ze met onbedekt hoofd bidt of profeteert, want ze is in dat geval precies hetzelfde als een kaalgeschoren vrouw.
6Een vrouw die haar hoofd niet bedekt, kan zich maar beter laten kaalknippen. Wanneer ze dat een schande vindt, moet ze haar hoofd bedekken.
7Een man mag zijn hoofd niet bedekken omdat hij Gods beeld en luister is. De vrouw is echter de luister van de man.
8(De man is immers niet uit de vrouw voortgekomen, maar de vrouw uit de man;
9en de man is niet omwille van de vrouw geschapen, maar de vrouw omwille van de man.)
10Daarom, en omwille van de engelen, moet een vrouw zeggenschap over haar hoofd hebben.
11Echter, in hun verbondenheid met de Heer is de vrouw niets zonder de man, en ook de man niets zonder de vrouw.
12Want zoals de vrouw uit de man is voortgekomen, zo bestaat de man door de vrouw-en alles is ontstaan uit God.
13Oordeelt u daarom zelf. Is het gepast dat een vrouw met onbedekt hoofd tot God bidt?
14Leert de natuur zelf u niet dat lang haar een man te schande maakt,
15terwijl het een vrouw tot eer strekt? Het haar van de vrouw is haar gegeven om een hoofdbedekking te dragen.
16Iemand die meent zo eigenzinnig te moeten zijn af te wijken van wat ik zeg, dient te bedenken dat wij noch de gemeenten van God een ander gebruik kennen.

SV

3Doch ik wil, dat gij weet, dat Christus het Hoofd is eens iegelijken mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het Hoofd van Christus.
4Een iegelijk man, die bidt of profeteert, hebbende iets op het hoofd, die onteert zijn eigen hoofd;
5Maar een iegelijke vrouw, die bidt of profeteert met ongedekten hoofde, onteert haar eigen hoofd; want het is een en hetzelfde, alsof haar het haar afgesneden ware.
6Want indien een vrouw niet gedekt is, dat zij ook geschoren worde; maar indien het lelijk is voor een vrouw geschoren te zijn, of het haar afgesneden te hebben, dat zij zich dekke.
7Want de man moet het hoofd niet dekken, overmits hij het beeld en de heerlijkheid Gods is; maar de vrouw is de heerlijkheid des mans.
8Want de man is uit de vrouw niet, maar de vrouw is uit den man.
9Want ook is de man niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om den man.
10Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben, om der engelen wil.
11Nochtans is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder den man, in den Heere.
12Want gelijkerwijs de vrouw uit den man is, alzo is ook de man door de vrouw; doch alle dingen zijn uit God.
13Oordeelt gij onder uzelven: is het betamelijk, dat de vrouw ongedekt God bidde?
14Of leert u ook de natuur zelve niet, dat zo een man lang haar draagt, het hem een oneer is?
15Maar zo een vrouw lang haar draagt, dat het haar een eer is; omdat het lange haar voor een deksel haar is gegeven?
16Doch indien iemand schijnt twistgierig te zijn, wij hebben zulke gewoonten niet, noch de Gemeenten Gods.

KJV

3But I would have you know, that the head of every man is Christ; and the head of the woman is the man; and the head of Christ is God.
4Every man praying or prophesying, having his head covered, dishonoureth his head.
5But every woman that prayeth or prophesieth with her head uncovered dishonoureth her head: for that is even all one as if she were shaven.
6For if the woman be not covered, let her also be shorn: but if it be a shame for a woman to be shorn or shaven, let her be covered.
7For a man indeed ought not to cover his head, forasmuch as he is the image and glory of God: but the woman is the glory of the man.
8For the man is not of the woman; but the woman of the man.
9Neither was the man created for the woman; but the woman for the man.
10For this cause ought the woman to have power on her head because of the angels.
11Nevertheless neither is the man without the woman, neither the woman without the man, in the Lord.
12For as the woman is of the man, even so is the man also by the woman; but all things of God.
13Judge in yourselves: is it comely that a woman pray unto God uncovered?
14Doth not even nature itself teach you, that, if a man have long hair, it is a shame unto him?
15But if a woman have long hair, it is a glory to her: for her hair is given her for a covering.
16But if any man seem to be contentious, we have no such custom, neither the churches of God.