1 Korinthe 13:1-50

NBV

1Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen-had ik de liefde niet, ik zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schelle cimbaal.
2Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen-had ik de liefde niet, ik zou niets zijn.
3Al verkocht ik mijn bezittingen omdat ik voedsel aan de armen wilde geven, al gaf ik mijn lichaam prijs en kon ik daar trots op zijn-had ik de liefde niet, het zou mij niet baten.
4De liefde is geduldig en vol goedheid. De liefde kent geen afgunst, geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid.
5Ze is niet grof en niet zelfzuchtig, ze laat zich niet boos maken en rekent het kwaad niet aan,
6ze verheugt zich niet over het onrecht maar vindt vreugde in de waarheid.
7Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze.
8De liefde zal nooit vergaan. Profetieën zullen verdwijnen, klanktaal zal verstommen, kennis verloren gaan-
9want ons kennen schiet tekort en ons profeteren is beperkt.
10Wanneer het volmaakte komt zal wat beperkt is verdwijnen.
11Toen ik nog een kind was sprak ik als een kind, dacht ik als een kind, redeneerde ik als een kind. Nu ik volwassen ben heb ik al het kinderlijke achter me gelaten.
12Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben.
13Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde.

SV

1Al ware het, dat ik de talen der mensen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zo ware ik een klinkend metaal, of luidende schel geworden.
2En al ware het dat ik de gave der profetie had, en wist al de verborgenheden en al de wetenschap; en al ware het, dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zo ware ik niets.
3En al ware het, dat ik al mijn goederen tot onderhoud der armen uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik verbrand zou worden, en had de liefde niet, zo zou het mij geen nuttigheid geven.
4De liefde is lankmoedig, zij is goedertieren; de liefde is niet afgunstig; de liefde handelt niet lichtvaardiglijk, zij is niet opgeblazen;
5Zij handelt niet ongeschiktelijk, zij zoekt zichzelve niet, zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad;
6Zij verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich in de waarheid;
7Zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen.
8De liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij profetieen, zij zullen te niet gedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden.
9Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele;
10Doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten dele is, te niet gedaan worden.
11Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik te niet gedaan hetgeen eens kinds was.
12Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.
13En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde.

KJV

1Though I speak with the tongues of men and of angels, and have not charity, I am become as sounding brass, or a tinkling cymbal.
2And though I have the gift of prophecy, and understand all mysteries, and all knowledge; and though I have all faith, so that I could remove mountains, and have not charity, I am nothing.
3And though I bestow all my goods to feed the poor, and though I give my body to be burned, and have not charity, it profiteth me nothing.
4Charity suffereth long, and is kind; charity envieth not; charity vaunteth not itself, is not puffed up,
5Doth not behave itself unseemly, seeketh not her own, is not easily provoked, thinketh no evil;
6Rejoiceth not in iniquity, but rejoiceth in the truth;
7Beareth all things, believeth all things, hopeth all things, endureth all things.
8Charity never faileth: but whether there be prophecies, they shall fail; whether there be tongues, they shall cease; whether there be knowledge, it shall vanish away.
9For we know in part, and we prophesy in part.
10But when that which is perfect is come, then that which is in part shall be done away.
11When I was a child, I spake as a child, I understood as a child, I thought as a child: but when I became a man, I put away childish things.
12For now we see through a glass, darkly; but then face to face: now I know in part; but then shall I know even as also I am known.
13And now abideth faith, hope, charity, these three; but the greatest of these is charity.