Open de Bijbel

Genesis 11:12-31
NBV 12 Toen Arpachsad 35 jaar was, verwekte hij Selach. 13 Na de geboorte van Selach leefde Arpachsad nog 403 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 14 Toen Selach 30 jaar was, verwekte hij Eber. 15 Na de geboorte van Eber leefde Selach nog 403 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 16 Toen Eber 34 jaar was, verwekte hij Peleg. 17 Na de geboorte van Peleg leefde Eber nog 430 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 18 Toen Peleg 30 jaar was, verwekte hij Reü. 19 Na de geboorte van Reü leefde Peleg nog 209 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 20 Toen Reü 32 jaar was, verwekte hij Serug. 21 Na de geboorte van Serug leefde Reü nog 207 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 22 Toen Serug 30 jaar was, verwekte hij Nachor. 23 Na de geboorte van Nachor leefde Serug nog 200 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 24 Toen Nachor 29 jaar was, verwekte hij Terach. 25 Na de geboorte van Terach leefde Nachor nog 119 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 26 Toen Terach 70 jaar was, verwekte hij Abram, Nachor en Haran. 27 Dit is de geschiedenis van Terach en zijn nakomelingen. Terach verwekte Abram, Nachor en Haran. Haran verwekte Lot; 28 hij stierf nog tijdens het leven van zijn vader Terach, in Ur, een stad van de Chaldeeën, in zijn geboorteland. 29 Abram en Nachor trouwden allebei. Abrams vrouw heette Sarai, Nachors vrouw heette Milka; zij was een dochter van Haran, die naast Milka nog een dochter had, Jiska. 30 Sarai was onvruchtbaar, zij kreeg geen kinderen. 31 Terach verliet Ur, de stad van de Chaldeeën, en nam zijn zoon Abram met zich mee, evenals zijn kleinzoon Lot, de zoon van Haran, en zijn schoondochter Sarai, Abrams vrouw. Samen gingen ze op weg naar Kanaän. Maar toen ze in Charan waren aangekomen, bleven ze daar wonen. Deze bijbeltekst is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004.
SV 12 En Arfachsad leefde vijf en dertig jaren, en hij gewon Selah. 13 En Arfachsad leefde, nadat hij Selah gewonnen had, vierhonderd en drie jaren; en hij gewon zonen en dochteren. 14 En Selah leefde dertig jaren, en hij gewon Heber. 15 En Selah leefde, nadat hij Heber gewonnen had, vierhonderd en drie jaren, en hij gewon zonen en dochteren. 16 En Heber leefde vier en dertig jaren, en gewon Peleg. 17 En Heber leefde, nadat hij Peleg gewonnen had, vierhonderd en dertig jaren; en hij gewon zonen en dochteren. 18 En Peleg leefde dertig jaren, en hij gewon Rehu. 19 En Peleg leefde, nadat hij Rehu gewonnen had, tweehonderd en negen jaren; en hij gewon zonen en dochteren. 20 En Rehu leefde twee en dertig jaren, en hij gewon Serug. 21 En Rehu leefde, nadat hij Serug gewonnen had, tweehonderd en zeven jaren; en hij gewon zonen en dochteren. 22 En Serug leefde dertig jaren, en gewon Nahor. 23 En Serug leefde, nadat hij Nahor gewonnen had, tweehonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren. 24 En Nahor leefde negen en twintig jaren, en gewon Terah. 25 En Nahor leefde, nadat hij Terah gewonnen had, honderd en negentien jaren; en hij gewon zonen en dochteren. 26 En Terah leefde zeventig jaren, en gewon Abram, Nahor en Haran. 27 En deze zijn de geboorten van Terah: Terah gewon Abram, Nahor en Haran; en Haran gewon Lot. 28 En Haran stierf voor het aangezicht zijns vaders Terah, in het land zijner geboorte, in Ur der Chaldeen. 29 En Abram en Nahor namen zich vrouwen; de naam van Abrams huisvrouw was Sarai, en de naam van Nahors huisvrouw was Milka, een dochter van Haran, vader van Milka, en vader van Jiska. 30 En Sarai was onvruchtbaar; zij had geen kind. 31 En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, zijns zoons zoon, en Sarai, zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en zij togen met hen uit Ur der Chaldeen, om te gaan naar het land Kanaan; en zij kwamen tot Haran, en woonden aldaar.Deze bijbeltekst is ontleend aan aan de Staten Vertaling van 1637
KJV 12 And Arphaxad lived five and thirty years, and begat Salah: 13 And Arphaxad lived after he begat Salah four hundred and three years, and begat sons and daughters. 14 And Salah lived thirty years, and begat Eber: 15 And Salah lived after he begat Eber four hundred and three years, and begat sons and daughters. 16 And Eber lived four and thirty years, and begat Peleg: 17 And Eber lived after he begat Peleg four hundred and thirty years, and begat sons and daughters. 18 And Peleg lived thirty years, and begat Reu: 19 And Peleg lived after he begat Reu two hundred and nine years, and begat sons and daughters. 20 And Reu lived two and thirty years, and begat Serug: 21 And Reu lived after he begat Serug two hundred and seven years, and begat sons and daughters. 22 And Serug lived thirty years, and begat Nahor: 23 And Serug lived after he begat Nahor two hundred years, and begat sons and daughters. 24 And Nahor lived nine and twenty years, and begat Terah: 25 And Nahor lived after he begat Terah an hundred and nineteen years, and begat sons and daughters. 26 And Terah lived seventy years, and begat Abram, Nahor, and Haran. 27 Now these are the generations of Terah: Terah begat Abram, Nahor, and Haran; and Haran begat Lot. 28 And Haran died before his father Terah in the land of his nativity, in Ur of the Chaldees. 29 And Abram and Nahor took them wives: the name of Abram's wife was Sarai; and the name of Nahor's wife, Milcah, the daughter of Haran, the father of Milcah, and the father of Iscah. 30 But Sarai was barren; she had no child. 31 And Terah took Abram his son, and Lot the son of Haran his son's son, and Sarai his daughter in law, his son Abram's wife; and they went forth with them from Ur of the Chaldees, to go into the land of Canaan; and they came unto Haran, and dwelt there.Deze bijbeltekst is ontleend aan aan de King James Version